top of page

De Bruiloft waar ik niet naartoe ging

Céline, pseudoniem, en ik waren veertien toen wij elkaar ontmoetten, in het derde jaar humaniora in Gent. Zij zat achter mij in de wiskundeklas, en de eerste woorden die zij ooit tegen mij zei waren: „Als je dit oplost, geef ik je mijn koekje bij de pauze.” Zij loste sowieso alles op, zij had geen koekje nodig, maar ik denk dat ze op zoek was naar een reden om met mij te praten. Ik ben gaan zitten waar ze me haar koekje kon geven.

Wij zijn vriendinnen geworden voor het weekend om was. 8 jaar lang was Céline mijn eerste bel op verjaardagen, mijn eerste bericht na een moeilijke week, de vrouw met wie ik in Toscane een appartement zou huren als we ooit veertig waren, wat toen nog ver weg leek.
Zij is peetmoeder van de dochter die ik niet heb.
Ik ben peetmoeder van een fictieve zoon van haar, die zij op zaterdagavonden na te veel wijn uitvond om mij aan het lachen te maken.
Op mijn tweeëntwintigste vertelde ik haar wat ik deed. Ik had het uitgesteld. Niet omdat ik haar niet vertrouwde... ik vertrouwde haar zoals ik alleen mezelf vertrouwde, maar omdat ik wist ( en bang was) dat sommige mensen, wanneer je hen iets over jezelf vertelt, van dan af aan met een klein streepje verschil naar je zullen kijken.
Ik wilde dat streepje uitstellen zolang ik kon. Zij nam mijn hand vast. „Ik wist het al bijna,” zei ze. „Ik ben blij dat je het me zegt.”
Wij dronken die avond drie flessen wijn en zij vroeg mij dingen die niemand anders mij ooit had gedurfd te vragen. Niet vulgair. Nieuwsgierig. Als iemand die het huis waarin haar vriendin woonde wilde leren kennen om er nog vaker langs te kunnen komen. Ik dacht dat ik thuisgekomen was.

Twee jaar later trouwde Céline. De uitnodiging kwam niet.Ik heb drie weken gewacht op een kaartje dat door de post was verloren, of op een whatsappje waarin ze het uitlegde, of op een telefoontje. Er kwam niets. Ik heb haar zelf gebeld, op een dinsdagavond in juni.
Ze was eerlijk, dat moet ik haar nageven. Ze zei dat haar schoonfamilie strenger was dan zij had gedacht. Dat er vragen zouden worden gesteld die zij niet wilde beantwoorden op de dag dat ze trouwde. Dat het niet tegen mij was. Dat ze hoopte dat ik het zou begrijpen. Ik heb het begrepen.
Werkelijk. Er is één ding dat ik na twaalf jaar in dit werk geleerd heb, en dat is dat mensen bijna nooit slecht zijn- ze zijn alleen bang, en angst maakt hen kleiner dan ze in werkelijkheid zijn. Céline was bang. Maar begrijpen en aanvaarden zijn niet hetzelfde. Op de dag van haar bruiloft, een zaterdag in september, heb ik alleen thuis een fles wijn geopend die ik voor haar bewaarde. Ik heb naar een foto van ons op onze zeventien gekeken en ik heb zachtjes gehuild, niet lang, en daarna heb ik de wijn opgedronken zonder toost. Wij spreken elkaar nu niet meer. Geen kerstwensen. Geen verjaardagsbericht. Maar wat er ooit tussen ons was, was nu stiller dan ooit en helemaal uitgedoofd. Ik schrijf dit stuk niet uit wraak. Ik schrijf het uit eerlijkheid, omdat er vrouwen zijn die dit lezen en die weten dat er ergens in hun leven een Céline is, en die zich soms afvragen of hun teleurstelling toegestaan is. Ze is toegestaan! Vriendschap moet je in beide richtingen mogen dragen. Als iemand jou alleen kan liefhebben in het licht dat de wereld goedkeurt, dan is dat geen vriendschap... Een gastvrijheid misschien? En daar mag je verdriet om hebben.

 
 
 

Opmerkingen


©2026 door Lisa Lefèvre.

bottom of page